|

De instrumenten
blokfluiten
sopraanblokfluit in C,
Ella Siekman
altblokfluit in F, Denner-copie,
Hans Nieuwland
voiceflute in D, Bressan-copie,
Guido Klemish
barokfagot
Eichentopf-copie, Leslie Ross
clavecimbel
Ruckers-copie, Rudolf Jaggi |
Joseph Bodin de Boismortier (1682 - 1765)
Sonate in e klein opus 37
Allegro Adagio
Allegro Louis-Nicolas Clérambault (1676 - 1749)
"Orphée, Cantate troisième, a voix seule et simphonie"
Recitatief
Air tendre, et piqué
Recitatief
Air gay Recitatief
Air fort lent en fort tendre
Fort lentement
Air tendre, doucement
Recitatief
Air gay Michel Corrette (1709 - 1795)
Sonate in G uit "Les Délices de la Solitude" opus 20
Preludio, Allemande
Sarabande
Presto
|
Nicolas Bernier (1664 - 1734)
"Le Caffé, quatrieme cantate a voix seulle avec symphonies"
Prelude, gravement
Recitatief
Air gracieux
Recitatief
Air gay
Recitatief
Air gay Jean Philippe Rameau (1683 - 1764)
"Premier concert de pièces de clavecin en concerts"
La Coulicam, rondement
La Livri, rondeau gracieux
Le Vézinet, gaiement, sans vitesse
|
|
Het Apollo Ensemble
Marion Boshuizen - clavecimbel
Gerrie Jonker - blokfluiten
Thomas Oltheten - barokfagot
Apollo, zoon van Zeus en Letho, is de god van het licht, de schone kunsten, de
harmonie en aanvoerder van de negen muzen. Het ensemble dat onder deze naam
speelt, heeft sinds de oprichting in 1992, gevarieerde barokprogramma's
gebracht, waaronder "de Grens", een programma over de polyfone bouwwerken van
Bach en de schokkende eenvoud die erop volgt; 1628, Zo wijd de wereld strekt...
en vocaal en instrumentaal programma met muziek uit de Republiek der
Nederlanden, met stoere drinkliederen en gevoelige liefdes-verklaringen. Dit
laatste project is met medewerking van bas/bariton Max van Egmond tot stand
gekomen en is in 1995 op cd vastgelegd. De leden van het ensemble studeerden in
Utrecht en in Zürich (Zwitserland).
Dini Buis-Santing
Dini Buis-Santing werd geboren in Diever. Haar studie begon aan het
conservatorium te Leeuwarden.
Ze studeerde schoolmuziek en solozang. Beide studies ronde ze in respectievelijk
1983 en 1985 af. Tijdens haar zangstudie deed zij een specialisatie 20e eeuwse
kerkmuziek voor sopraan en orgel. Na haar conservatorium-opleiding vervolgde zij
haar studie bij Wendela Bronsgeest. Vanaf 1990 volgde zij lessen bij Adi le Gué.
Ze werkte mee aan vele oratoria, waaronder de Johannes-passions van Bach en Pärt;
Oratorio de Noël van Saint-Saëns; het Requiem van Mozart. Voor de uitvoering van
liederen vormt ze met de pianiste Siet Dunselman-Wijbenga een duo. De laatste
jaren werd ze ook gevraagd voor opera- en operetterollen.
Zo zong zij in seizoen '94-'95 de rol van Fokje in opera "Rixt" van Henk Alkema
en de rol van Christel in "Der Vogelhändler" van Carl Zeller. Afgelopen seizoen
vertolkte zij de rol van Dido in "Dido en Aenas" van Henry Purcell. |
|
FRANSE CANTATES
Stijl "Is er sprake van wanorde of ongelijk spel," schrijft Quantz in 1751, "dan is de kans groot dat er één of andere, zonder ogen en oren spelende Italiaan in het orkest zit." Quantz schrijf dit in zijn zeer uitvoerige fluitmethode, die, naast specifieke aanwijzingen om het fluitspel goed onder de knie te krijgen, een algemeen deel bevat waarin zowel de professional als de leergierige amateur onderhouden wordt over onder andere "de goede smaak". Italiaanse musici zijn grilziek, hebben last van "verwarrende gedachten" en spelen daardoor ongelijk. Aan jonge musici voegt Quantz toe: "Begin met oefenen van de Franse stijl en probeer je pas daarna de Italiaanse stijl eigen te maken. De Fransen dragen voor op een duidelijke en zuivere manier en bederven de goede gedachten van de componist niet. In de Franse zang is het uitdrukken van de tekst, de verstaan-baarheid en de duidelijkheid daarvan, erg belangrijk. Fransen laten zich niet in met omvangrijke versieringen, die bijvoorbeeld de uitdrukking van een klagende of verwoede hartstocht kunnen beletten."
|
Ontstaan, achtergrond en inhoud In het jaar dat Quantz' methode wordt uitgegeven, is ondertussen een specifieke zangvorm, de cantate, al gestandaardiseerd. Het is een feit dat deze vorm in Frankrijk is overgenomen van de Italianen en is omgebouwd naar Franse smaak. In 1607 schreef Monteverdi "Orfeo"; een kleine honderd jaar later kwam de eerste bundel cantates van Clérambault uit, met daarin "Orphée". Experimenteerde men begin 17de eeuw nog met het componeren van muziek op teksten, waarbij de zinsopbouw en inhoud bepalend was en waarin de tonaliteit steeds meer vaste grond onder de voeten kreeg - noviteiten, gezien in het licht van de Renaissance, met zijn strakke regels voor polyfonie - een eeuw later is er al een vaste cantatevorm ontstaan met een regelmatige afwisseling van recitatieven en da capo-aria's en heeft de instrumentale begeleiding een veel belangrijker plaats ingenomen. Overigens is de cantate een afgeleide van opera en oratorium, zangvormde die eerder tot ontwikkeling kwamen dan de cantate.
|
|
De Fransen hebben als achtergrond hun traditie van "Airs et Ballets de cour", liederen met (luit)begeleiding van hofballetten. Lully baseerde hierop zijn eerste Franse opera's, tragedies
lyriques, met als hoofdmoot, nog steeds, de balletten. "Het hof" slaat op het hofleven tijdens Louis XIV wiens regeringsperiode start in 1661. Tijdens zijn regeringsperiode van ruim 50 jaar, bepaalde het culturele leven aan het hof ook het overige culturele leven. De cantate werkte dan ook vernieuwend voor Frankrijk, omdat het muziek was die zich buiten Versailles ontwikkelde. Het verhaal gaat dat Louis
XIV, na een concert van de Franse violist Anet die een tijd bij Corelli gestudeerd had, een eigen hofviolist uit de wandelgangen plukte en hem een aria voor liet spelen uit een opera van hofcomponist
Lully, onder het commentaar: "Dit is mijn smaak, dit is mijn smaak!" Dus niet aan het hof, maar elders doken nieuwe ideeën op, niet in de laatste plaats geïnspireerd door de Italiaanse muziek. In de cantates ging het niet om balletten, maar om literair werk dat op muziek gezet werd. De onderwerpen van de libretto's verschilden.
Quantz: "Italië pronkt met de mooiste toneelgedichten, terwijl Frankrijk nog steeds aan de fabels blijft hangen."
De Griekse mythologie werd dus getoonzet, maar ook bijbelse teksten werden gebruikt, variërend van bijbelvast tot vrije commentaren daarop, de zogenaamde koraalcantate (Duitsland,
J.S. Bach).
|