BACH
triosonates
Sonate V C
Dur, BWV 529
-
Allegro
- Largo
-
Allegro
sopraanblokfluit, fagot, gamba, clavecimbel
Sonate VI B Dur
(oorspr. G.) BWV 530
Vivace - Lento
-
Allegro
altblokfluit, viool, fagot
Sonate III d
moll, BWV 527
Andante - Adagio e dolce
-
Vivace
voiceflute, fagot, clavecimbel |
Sonate IV e
moll, BWV 528
-
Adagio - Vivace
- Andante
-
Un Poco Allegro
viool, fagot, gamba, clavecimbel
Sonate I G
Dur, (oorspr. Es) BWV 525
(Allegro moderato) -
(Adagio)
- Allegro
altblokfluit, fagot, clavecimbel
Sonate II c
moll, BWV 526
Vivace - Largo
-
Allegro
altblokfluit, viool, fagot, clavecimbel
|
|
APOLLO ENSEMBLE Het Apollo ensemble is opgericht in 1992 en heeft zijn naam te danken aan de gelijknamige Griekse god van het licht, de schone kunsten en de harmonie, tevens aanvoerder van de negen muzen. Het ensemble streeft naar een
onafhankelijke wijze van musiceren en wijkt regelmatig af van standaardrepertoire en -bezetting. De vaste kern wordt gevormd door blokfluitiste Gerrie Jonker, fagottist Thomas Oltheten en claveciniste
Marion Boshuizen. Tijdens hun studie aan het Utrechts conservatorium leerden zij
elkaar kennen; een aantal jaren later besloten zij hun muzikale
samenwerking voort te zetten. Het repertoire omvat werken van de late Renaissance tot de vroeg Klassieke periode, gespeeld op instrumenten uit de desbetreffende stijlperioden. Het ensemble speelt regelmatig samen met collega-musici in uiteenlopende projecten, waaronder een geënsceneerd programma waarmee met succes geprobeerd is het publiek meer te betrekken bij tekst en tijdsgeest van deze rijke culturele Barokperiode. Op deze cd met triosonates van Bach spelen gambist Freek Borstlap en violist Jan Pieter van Coolwijk mee. |
|
J.S.
Bach, Trio Sonates BWV 525 - 530 In de jaren 1727 - 1729 schreef
J.S. Bach zes sonates a due Claviere e Pedale. Hij is op dat moment cantor van de St. Thomasschule te
Leipzig, waar hij de grootste scheppingskracht van zijn leven ontwikkelde. Het is de periode van o.a. veel van zijn cantates, de Mattheüs Passie, de Oratoria en de Hohe
Messe. De zes sonates zijn voor twee klavieren en pedaal streng driestemmig geschreven, waarbij de twee bovenstemmen elkaar imiteren. Ze waren bedoeld als lesmateriaal voor Bachs oudste zoon Wilhelm Friedemann (geboren in 1710) die hiermee zowel z'n handen als voeten (de pedaaltechniek stond in Duitsland op een hoog niveau) flink kon oefenen. Bach laat in het midden of het instrument
een orgel moet zijn of een pedaalclavicord. Van deze zes sonates heeft Bach alleen nr. 6 helemaal nieuw gecomponeerd, de overige sonates zijn min of meer het resultaat van experimenten op het gebied van arrangeren, iets wat Bach graag en veel deed, zowel met eigen werk als met dat van anderen. Daarbij is hij altijd op zoek naar de grenzen van het technisch en muzikaal mogelijke. Zeer bekend zijn zijn bewerkingen van concerten van Vivaldi voor orgel en van het hoboconcert van Marcello, eveneens voor orgel. Voor de triosonates putte hij uit eigen werk - voornamelijk "Klavier" werken - maar het openingsdeel van de vierde sonate
b.v. komt uit de sinfonia van cantate 76 "Die Himmel erzählen die Ehre Gottes". |
Als bezetting schreef Bach hier zeer
contrastrijk hobo d'amore, gamba en continuo voor. Het deel begint met een Adagio van vier maten, dat overgaat in een Vivace. Het is de enige keer dat een sonate opent met een Adagio; alle andere sonates beginnen met een snel deel. Het tweede deel uit de derde sonate duikt later (1730) op als concert voor
clavecimbel, fluit en viool BWV 1044. Mozart heeft het eens bewerkt voor viool, altviool en cello. De bewerkingen die op de ze cd te horen zijn, zijn ook het resultaat van experimenten, begonnen uit nieuwsgierigheid, om te kijken hoe het met een bezetting van blokfluit, fagot en clavecimbel klinkt; op zoek steeds naar de uiterste grens wat betreft techniek en klankkleur. Voor zo ver mogelijk - slechts de sonates I en VI zijn getransponeerd - is de oorspronkelijke toonsoort gehandhaafd, om recht te doen aan het specifieke karakter van zo'n toonsoort. Zo is (volgens de tabel van
Mattheson) de toonsoort van sonate III aangenaam rus tig en devoot en de toonsoort C (sonate V) opgewerkt en brutaal. Vandaar de keuze in de bezetting: de liefelijke voiceflute voor de derde sonate en de sopraanblokfluit voor de vijfde. "Quaerendo invenietis", "zoekt en gij zult vinden", schreef Bach ooit bij een canon uit het Musikalisches
Opfer. Er is gezocht en gevonden in de overtuiging dat het de moeite waard is te blijven zoeken. |