|

APOLLO
ENSEMBLE
Violin
David
Rabinovich, leader and
soloviolin
1 in Concerto in D
John
Wilson Meyer,
soloviolin
2 in Concerto in D
Hanneke
Wierenga
Franc
Polman
Kees
Hilhorst, violin/viola
Viola
Tamara
Mkrtychyan
Violoncello
Emily
Robinson
Double
bass
Jacques
van der Meer
Recorder
Annelies
Schraa
Bassoon
Thomas
Oltheten
Harpsichord
Marion
Boshuizen
|
|
Georg Philipp Telemann 1681-1767
Don Quixote
Suite for strings and basso continuo
1. Ouverture
2. Le reveil de Don Quixotte
3.
Son attaque des moulins à vent
4. Les soupirs amoureux après la Princesse Dulcinée
5. Sanche Panche berné
6. Le galope de Rosinante
7. Celui d’Ane de Sanche / Le galope de Rosinante
8. Le couché de Quixotte
Concerto for two
violins, bassoon, strings
and basso continuo in D
9. Andante
10. Allegro
11. Adagio
12. Allegro assai |
Concerto for viola, strings and basso
continuo in G
13. Largo
14. Allegro
15. Andante
16. Presto
Concerto for recorder, bassoon, strings and
basso continuo in F
17. Largo
18. Allegro
19. Grave
20. Allegro
Don Quichot
De suite van Telemann
Telemanns concerten
Solisten
|

Don Quichot
Stel je zit in een stoel met een nieuw
boek op schoot. Een ouverture in de muziek, zoals die van Telemanns Don Quichotte Suite, is vergelijkbaar met
het titelblad en de inhoudsopgave van een roman in de literatuur.
De gelijknamige
roman van de Spaanse schrijver
Cervantes wordt door velen beschouwd als een van de eersten in de geschiedenis. De roman verscheen
in twee delen. Het eerste deel werd precies vierhonderd jaar geleden uitgebracht
in 1605, het tweede in 1615. |
Hele volksstammen hebben er inmiddels mee op schoot gezeten. Wereldliteratuur vol geniale humor en
absurditeit, over iemand die zich met zijn ingebeelde heldendaden belachelijk maakt, maar er zelf niet mee zit.
Waarom zou Don Quichote ook, zijn eveneens grotendeels gefantaseerde romance met Dulcinea van Toboso zou
hij toch niet willen missen? Hoe was het ook alweer? Het bekendste hoofdstuk uit het boek betreft de
bestorming van molens van La Mancha. ‘Kijk eens goed heer’, waarschuwt zijn schildknaap Sancho
Pansa, ‘Wat zich daar vertoont zijn geen reuzen, maar windmolens; en wat bij hen op armen lijkt zijn wieken, die,
door de wind rond gedraaid, de molensteen in beweging brengen.’
Don Quichote wil er niks van weten: ‘Ik zie wel dat jij nog niet veel van de wereld
af weet. Reuzen zijn het, en indien je bang bent, ga dan opzij en bid, terwijl ik mij met hen in een vreselijk
ongelijke strijd ga begeven!’
Don Quichote geeft zijn paard Rosinante de sporen en roept: ‘Vlucht niet, blode en
lage schepsels! Eén enkele ridder is het, die u aanvalt.’ |
|

De suite van Telemann
Hoe reageert Telemann op dit ruim zestig
jaar voor zijn geboorte verschenen verhaal? Na de ouverture verloopt het ochtendritueel van de ridder rustig en
lyrisch, om tot slot langzaam uit te sterven. Maar dan gebeurt het, in het verhaal en in de muziek.
Don Quichot
bestormt de windmolens.

De scène heeft Telemann geïnspireerd tot een wervelend fel betoog, waarin de musici
meerdere charges uitvoeren. Des te fraaier werkt de contrastrijke overgang naar Don Quichot’s innige, smachtende
liefdesverklaring aan prinses Dulcinea. Een Seufzer-figuur drukt treffend zijn zuchten van verlangen uit.
Een montere boerendansje leidt Sancho Pansa tijdelijk af. De lange halen in de viool lijken een dansbeweging te suggereren,
waarbij je diep door de knieën moet.
Er volgt een snelle elegante dans in swingende driedelige maat. Zo
draaft het eigenzinnige paard Rosinante: zelfverzekerd en voortvarend. Schoksgewijs, onregelmatig en
onhandig is daarentegen het loopje van Pansa’s ezel Sanchos. |
Telemann speelt een briljant spel met de contrasten
tussen de twee dieren. Triomfantelijk keert de soevereine draf van Rosinante nog even terug.De muziek waarmee Don Quichot zich klaarmaakt voor zijn nachtrust, is een actievere variant op
het ritme, dat al na de ouverture klonk en waarmee Telemann eerder het
ochtendritueel ondersteunde. In dit slotdeel lijken de strijkers zich uit te
strekken, alsof je loom je laarzen uittrekt, de armen strekt en gapend onderuit
gezakt terugkijkt op een enerverende dag. Subtiele slagwerkaccenten beklemtonen
het ritme, de uitstervende slotmaten rijmen met het slot van de ontbijtscène
(deel twee)
De opera die Telemann op dit onderwerp componeerde duurt ongeveer veertig minuten en loopt met een kunstige
afwisseling tussen solo en ensemble scènes vooruit op latere ‘Singspielen’,
zoals die van Mozart. De vijf scènes beginnen van Don Quichotte auf der Hochzeit des Comacho beginnen met
de aria ‘Ein wahrer Held eilt schon ins Feld’, gezongen door Don Quichot. Karakterstukken, brengt Telemann
onder in de Suitevorm. Voor zijn suites koos hij niet alleen literaire inspiratiebronnen,
hij kon zich ook te buiten gaan aan een muzikale schets van volkeren, of een karakterisering
van oude en nieuwe tijden.
Een mooi tijdsbeeld is bijvoorbeeld te vinden in Telemanns Ouverture des Nations anciens et
modernes. Langzame, tamelijk zwaarmoedige ouvertures stellen het zwoegerige verleden voor, terwijl de nieuwe tijd
wordt verklankt door vlotte deeltjes, waarvan de muziek sprankelt als bronwater.
Opvallend dat ook toen al de nieuwe tijd als sneller werd ervaren dan de oude. Telemann liet zich erdoor
meeslepen. Vijfentwintig jaar voor zijn dood had hij volgens zijn autobiografie (hij schreef er twee in 1718 en in
1740) al achthonderd suites af. |
|

Telemanns concerten
Telemann trachtte voor alle instrumenten het idioom aan te passen aan
de groeiende technische mogelijkheden van de spelers. Enthousiast schrijft hij in 1739 over een concert in de buitenlucht
in Frauenstein ter viering van de geboorte van de Oostenrijkse aartshertog en prins van
Asturiën, dat zijn
voor de gelegenheid gecomponeerde Serenade werd uitgevoerd door een orkest met: ‘velen voortreffelijke, speciaal
voor de gelegenheid gekomen virtuozen (…) versterkt’, tot ruim vijftig personen.
Over de concertvorm was hij aanvankelijk niet zo te spreken. Bij bestudering van ‘virtuoze’
concerten van collega-componisten, trof Telemann vaak ‘zwar viele Schwürigkeiten und krumme Sprünge’
aan [weliswaar veel lastige passages en bochtige sprongen], maar weinig harmonie en nog minder melodie. |
Virtuositeit moest van Telemann dus wel een muzikale reden hebben.Geboren in Magdeburg en getogen in Zellerfeld, Hildesheim en Leipzig, kreeg Telemann zijn eerste aanstellingen in
Sorau en Eisenach. Van 1712 tot 1720 werkte hij in Frankfurt, ondermeer voor de Frauenstein Muziek Sociëteit,
en ook als kapelmeester aan het hof van de prins van Bayreuth. Men vermoedt dat Telemann in deze periode de
meeste van de honderdzeventig bewaard gebleven concerten heeft gecomponeerd. De concertvorm wordt door Telemann
meestal ingevuld met vier delen, soms met drie. Een probleem bij het onderzoek naar Telemanns talrijke concerten
is dat de noten vaak alleen in partijen voor de afzonderlijke instrumenten zijn overgeleverd. Partijen die in heel
Europa konden worden aangetroffen, verspreid tussen Stockholm, Brussel en Wenen.
Zijn concerten werden zowel gespeeld in de hofkapellen van Darmstadt en Dresden (waar de meeste
bewaard gebleven partituren werden aangetroffen) als in het Zweden van koning
Gustaaf. De meeste soloconcerten wijdde hij aan de viool, op afstand gevolgd door de
fluit en de hobo, in zijn tijd de meest bespeelde instrumenten. De blokfluit is in zijn oeuvre met twee soloconcerten
bedeeld, de altviool met één (hier opgenomen). Telemann heeft ook een dubbelconcert voor twee altviolen
gemaakt. |
|
Zijn tijdgenoot Vivaldi noemde de altviool ‘violette all’inglese’. De altviool werd beschouwd als een
Engels instrument, met nog ongekende mogelijkheden die om exploratie vroegen. Een soloconcert voor fagot is niet
overgeleverd. Wellicht heeft het toch bestaan, want honderden concerten van Telemann zijn verdwenen, zelfs
nog in de twintigste eeuwse toen er manuscripten van Telemann verloren gingen tijdens bombardementen van de
geallieerden op Dresden en Hamburg.
|
|
In de hier opgenomen concerten voor twee violen en fagot en het dubbelconcert voor blokfluit en fagot bedeelt
Telemann de fagot met virtuoze passages. Voor fagotpartijen schreef Telemann soms dat ze voor
‘Calchedon ou Basson’ waren. De Calchedon of calichon was destijds een geliefd basso continuo instrument.
Johann Mattheson vond het zelfs geschikter daarvoor dan de theorbe en de luit, waarmee hij zich de woede van
de luitadept Ernst Gottlieb Baron op de hals haalde. De Calchedon bestaat niet meer, maar het bestaan ervan in
Telemanns tijd bewijst eens temeer hoe de instrumentale muziek in ontwikkeling was.
Vormde in het oeuvre van Vivaldi soloconcerten de hoofdmoot, Telemann merkte dat zijn toehoorders dubbelconcerten
zeer op prijs stelden en had kennelijk zelf veel plezier in de ontwikkeling van het vraag en antwoordspel
tussen twee solisten of een wedijverende groep van drie of meer solo-instrumenten.
Het Concert in D voor 2 violen, fagot en strijkers opent met een vredig tutti. De repeterende noten in de fagot
worden door een van de violen overgenomen. Met een puntig thema zet het tweede deel in. De solisten krijgen
virtuoze trio’s, de fagot net zulke snelle loopjes als de violen. Het is een contrapuntisch deeltje in een vrij
strenge vorm met Italiaans getinte herhalingspatronen. Een weemoedig klagende melodie met begeleiding van de
fagot bepaalt het derde deel. Het orkest speelt in stapsgewijze akkoorden de harmonieën en zingt af en toe even
mee. Het middelste couplet is een innige dialoog tussen de violisten, met sobere begeleiding van de strijkers.
Het
afsluitende couplet is een tutti met korte solomomenten. De fagot speelt de conclusie. Het laatste
deel sluit het concert monter en zelfverzekerd, in gelouterde stemming af. |
De altviool krijg na de orkestinleiding kort antwoorden van de andere strijkers.
Telemann maakt dankbaar
gebruik van de laagste snaren en ontdekt donkere kleuren op de ‘violette all’inglese’.
Het Allegro is vlot, kort en opgewekt en daarmee heel typerend voor barokmuziek. In het Andante gaat
het meer de galante kant op. De altviool speelt lange elegische tonen op een sobere begeleiding in dit
verhalende deel met een melancholieke ondertoon. Onmiddellijk gaat de zon weer op in het afsluitende Presto, dat
bruist van daadkracht en energie. De fagot krijgt in het tweede deel van het Concert in F de
ingewikkeldste loopjes. In snelheid wordt het rietinstrument gelijk getrokken met de
wendbaardere blokfluit. In het serieus getinte langzame deel neemt de blokfluit het voortouw. De fagot volgt, en af
en toe gaan de solisten gelijk op. De omslag van dit langzame naar het snelle afsluitende deel, is zowel wat
tempo als stemming betreft, minder extreem dan in het Altvioolconcert. Dit concert eindigt niet zozeer
opgewekt als wel vredig en berustend.
De roem die Telemann in zijn eigen tijd genoot was enorm. Als Thomaskantor van Leipzig had men destijds veel
liever Telemann op die post benoemd dan Johann Sebastian Bach, maar Telemann had vriendelijk voor de functie
bedankt. Door Friedrich Wilhelm
Zachariae werd Telemann in 1754 ‘Vader van de heilige toonkunst’ genoemd. Terugblikkend zei de Franse
schrijver Romain Rolland in 1910: ‘Het valt op, dat Telemann op alle muzikale gebieden: theater, kerkelijke of instrumentale
muziek, zich daar op houdt, waar de nieuwe bewegingen inzetten.’ Telemann heeft een belangrijke brug
geslagen tussen de instrumentale muziek van de barok en die van de klassieken.
Huib Ramaer
|
|
Solisten
op deze cd
David Rabinovich, viool
Concertmeester van het Apollo Ensemble is
de uit Rusland afkomstige violist David Rabinovich. Hij studeerde aan het
Conservatorium van Novosibirsk bij Zahar Bron, voor wie hij ook geruime tijd als
assistent werkte. Barokviool studeerde hij in Nederland aan het Koninklijk
Conservatorium Den Haag bij o.a. Elisabeth Wallfish en Ryo Terakado. Hij streeft
steeds naar een verfijning van samenspel, met zeer veel aandacht voor detail,
zonder daarbij
de grote lijn uit het oog te verliezen.
John Wilson Meyer, viool
John Wilson Meyer studeerde moderne viool aan het Royal Northern College of
Music en barokviool bij Marie Leonhardt. Hij is mede oprichter van The Locke
Consort, een ensemble dat zich richt op zeventiende-eeuwse consortmuziek en
diverse prijzen won. Tevens is John Wilson Meyer concertmeester van The Academy
of the Begijnhof, aanvoerder van de
tweede violen bij Anima Eterna
en maakt hij
deel uit van The Amsterdam String
Quartet.
Tamara
Mkrtychyan, altviool
Na haar opleiding aan het Tchaikovski Staats Conservatorium, waar ze
studeerde bij Michail Terian en Yuri Bashmet, werkte Tamara een aantal jaar in
het orkest van de Israëlische Opera. Sinds 1995 woont ze in Nederland, waar ze
zich vooral toelegt op kamermuziek. Een bijzondere band heeft ze met de viola d’amore,
waarmee ze in kleine bezetting ook met het
Apollo Ensemble optreedt.
Annelies
Schraa, blokfluit
Annelies Schraa studeerde blokfluit bij Adriënne du Clou. Tevens
deed zij masterclasses bij Wilbert Hazelzet. Na haar studie werkte ze geruime
tijd in Duitsland. Zij verleent solistische medewerking bij diverse ensembles
voor concerten en cd-opnames en heeft daarnaast een lespraktijk blokfluit en
ensemblespel.
Thomas Oltheten, fagot
De uit Leiden afkomstige fagottist Thomas Oltheten werd al van jongs
af aan gegrepen door de warme, sonore klank van de fagot. Hij studeerde aan de
conservatoria van Utrecht en Zürich. In de loop der tijd is hij zich meer en
meer gaan verdiepen in de ontwikkeling van de fagot door de eeuwen heen. Zo
bespeelt hij de dulciaan, barokfagot, klassieke fagot,
romantische fagot en de
moderne fagot.
Hij is oprichter van het Apollo Ensemble en speelt daarnaast in
diverse ensembles.
|
|
Colofon |
|
Opnamedata:
29, 30 juni, 1 juli 2004
Lokatie: Johanneskerk Heerde
Opname: Helix Audio, Bert van Dijk
Klankregie: Matthias Kadar
Teksten: Huib Ramaer
Vertaling: Astrid Ras
Ontwerp: Felix Guérain Tekenstudio
Drukker: Anker Drukkers
Persing: Precision Disc |
Deze cd is tot stand gekomen
dankzij bijdragen van:
Provincie Flevoland
Gemeente Lelystad
Prins Bernhard Cultuurfonds
Stichting Doen
ThuiskopieFonds
VSB-fonds
Maurits van Kattendijke Stichting |