Sergei Istomin, cello
http://www.loganartsmanagement.com/artists/sergei-istomin

Apollo Ensemble, dir. David Rabinovich

op eigentijdse instrumenten

David Rabinovich, Liesbeth Nijs - eerste viool
Igor Ruhadze, Daria Gorban - tweede viool
Tamara Mkrtychyan - altviool
Sergei Istomin - cello
Maria Vahervuo - contra bas
Ofer Frenkel, Mario Topper - hobo
Karen Libischewski, Torben Klink - hoorn
Thomas Oltheten - fagot

Recensie

Cello Concerto in C groot Hob. VII b:1

  1. Moderato (8'57")

  2. Adagio (6'16")

  3. Allegro molto (6'52")

Cello Concerto in D groot Hob VII b:2

  1. Allegro Moderato (13'08")

  2. Adagio (4'11")

  3. Allegro (4'53")

Symphony n. 16 in Bes groot Hob. 1:16

  1. Allegro (4'44")

  2. Andante (5'58")

  3. Presto (2'56")


De celloconcertos van Haydn De twee concertos voor cello van Haydn die ons werden overgeleverd, schreef hij telkens voor een bevriende cellist. Het oudste concerts (in C) dat we kenden van Haydn's leeggemaakte catalogus van eigen werk, werd tot in 1961 verloren gewaand. Toen werd een set losse handgeschreven partijen herontdekt in de bibliotheek van de graven van Kolovrat-Krakovsky uit het Radenín kasteel - een collectie die zich nu in het nationaal museum te Waag bevindt. Sindsdien is deze uitzonderlijke compositie tot het vaste repertoire van de cellisten gaan behoren.
Het tweede concerts in D werd door Haydn zelf gedateerd in 1783. Gedurende zijn leven werd het uitgegeven door Johann André van Offenbach am Main "d'après le manuscrit original de l'auteur''. De partituur werd voor het eerst gedrukt in 1804 en daarna herdrukt door Vernay in Parijs. Geen enkele andere bron uit die tijd, behalve de autograaf, is gekend. Dat manuscript was eerst het bezit van Meinert in Dessau, vervolgens van Julius Rietz in Dresden, dook nadien op bij Breitkopf en Härtel en belandde ten slofte in de Oostenrijkse Nationalbibliothek.
Gedurende de 19de eeuw raakte het werk totaal in de vergetelheid, tot in de jaren 1890 FA. Gevaert het opnieuw uitgaf en het een nieuwe populariteit bezorgde.
Maar in zijn enthousiasme herwerkte Gevaert het concerto voor romantisch orkest, zodat het toch duurde tot in de 20ste eeuw, met de herontdekking van Haydn's manuscript in 1951 , vooraleer het concerto in zijn oorspronkelijke staat werd hersteld.
Het eerste celloconcerto dateert uit de eerste jaren dat Haydn in dienst was van de Esterházy familie. Tot 1761 was Haydn kapelmeester van graaf Morzin, maar wanneer die om financiële redenen zijn muzikanten de laan uitstuurde, werd Haydn, dankzij zijn goede reputatie en enkele aanbevelingen, in dienst genomen door de veel rijkere prins Paul Anton Esterházy in Eisenstadt.
Net zoals bij Morzin, werden de zomermaanden op het landgoed doorgebracht en de wintermaanden te Wenen. Haydn ruilde zijn functie van kapelmeester bij Morzin om voor die van vicekapelmeester in Eisenstadt. Daar was de oude Josephus Wemer sinds decennia de Oberkapellmeister, maar al snel werd Haydn de belangrijkste hofcomponist. Het orkest waarover hij kon beschikken had weliswaar een zeer bescheiden omvang, maar de prins, die zelf viool, fluit en luit speelde, had zich dankzij zijn goede smaak met enkele uitstekende zangers en instrumentalisten omringd. In de overgeleverde boekhouding vinden we naast Haydn, Luigi Tomasini als eerste violist, Garnier en Heger als andere violisten, Josephus Weigl als cellist, verder een fluitist, 2 hoboïsten, 2 fagotten en 2 hoorns.
Graaf Paul Anton werd na zijn dood in 1762 opgevolgd door zijn jongere broer Nicolaus, die zelf viola da gamma en cello speelde. Hij kon het uitstekend vinden met Haydn die tot aan Nicolaus' dood in 1790 een ongeziene muzikale productiviteit aan de dag legde.
Het ontstaan van het cello concerts in C wordt in 1765 gesitueerd en ook toen had het hoforkest te Eisenstadt nog zeer bescheiden proporties, als men op de overgeleverde boekhouding van de prins mag voortgaan. Eigenlijk was de basis- bezetting één tot twee strijkers per punter, waarbij de hoorns ook viool dienden te spelen als versterking. Voor grotere gelegenheden werden er eventueel nog extra musici ingehuurd.
Het staat zo goed als vast dat Haydn de bevriende cellist en collega Joseph Weigl, die toen in de hofkapel van Esterházy speelde, voor ogen had als solist. Weigl beschikte over een stevige dosis techniek en het is opvallend dat verschillende symfonieën uit die tijd belangrijke solopassages voor cello vertonen, zoals bijvoorbeeld de nummers 6-8 met de beroemde bijnamen Le Matin, Le Midi en Le Soir.
Maar het eerste celloconcerto van Haydn is niet alleen interessant omwipte van de technische vereisten voor de solist, het is daarenboven op compositorisch gebied een erg verzorgd en heel evenwichtig opgebouwd werk dat behoort tot het toprepertoire uit die periode. Een pittig detail is dat Haydn in het tweede deel en in de finale de cello bijna heimelijk laat binnenkomen - wat een favoriete stijlfiguur was van Boccherini. Het is mogelijk dat Haydn zijn Italiaanse collega ontmoet heeft ter gelegenheid van de uitvoering van diens cello concerto's in Wenen in 1764.
De finale van Haydn's eerste celloconcerto trekt alle registers open met passages die heel hoog liggen voor de cello en die ook vandaag nog het uiterste van de solist vergen. Bovenal valt de zangerige stijl van het concerts op, dat ondanks zijn evenwichtige structuur steeds doet denken aan dramatische passages uit één of Het staat zo andere opera.
De orkestbezetting is bescheiden te noemen. Naast de strijkers zijn er twee hobo's en twee hoorns die bijna uitsluitend gereserveerd zijn voor de tutti passages in de eerste en laatste beweging. De trage beweging wordt enkel door strijkers begeleid.
Het orkest dat bij de eerste opvoering gebruikt werd, zou naar hedendaagse normen waarschijnlijk beschouwd worden als kamermuziekensemble, waarbij de solist de belangrijkste of misschien wel enige cellist zou zijn. Hij zou dus, zoals ook aangegeven in de solopartij, zonder twijfel hebben moeten meespelen in de baspartij en in de tutti passages.
Ook de symfonie nummer 16 dateert uit de jaren 1760. Er is nog steeds discussie of de symfonie niet reeds voor zijn aanstelling in Eisenstadt werd gecomponeerd.
In elk geval is ze op maat geschreven van het bescheiden kamerorkest waarover hij kon beschikken.
Pas in 1783 schrijft Haydn een tweede celloconcerto, ditmaal voorAntonin Kraft (1749-1820), een Weens cellist van Boheemse afkomst, werkzaam in de Keizerlijke Hofkapelle maar vanaf 1778 opgenomen in het orkest van Prins Nicolaus.
Na de dood van de prins verhuisde hij in 1790 opnieuw naar Wenen waar hij een cellist van aanzien werd. Zo werd bijvoorbeeld de cello partij van Beethovens Triple Concerto voor hem geschreven. Hij was zelf ook een voortreffelijke componist wat een tijd tot verwarring zou leiden omtrent het auteurschap van dit concerts.
In de jaren 1830 werd om duistere redenen het idee gelanceerd dat niet Haydn, maar de cellist Franz Anton Kraft de auteur zou geweest zijn.
We hebben gelukkig Haydn's autograaf teruggevonden wat elke discussie verder overbodig maakt.
De schrijfwijze is heel vocaal gedacht en doet dikwijls aan Haydn's opera's denken.
Zoals elders in het werk van Haydn vinden we daarenboven een mengeling van Oostenrijkse en Hongaarse invloeden met thema's uit de volksmuziek: op een bepaald moment kan men zich flarden van een drinklied voorstellen.
Kraft was met zekerheid de solist die het concerts heeft gecreëerd. Hij was een buitengewoon virtuoos en het is zeer waarschijnlijk dat hij met Haydn nauw heeft samengewerkt en dat Kraft allerlei virtuoze technieken aan Haydn heeft uitgelegd: heel wat passages zijn in hoge ligging geschreven waardoor de cello als het ware concurreert met de violen. Ook het gebruik van octaven, virtuoze arpeg- gio's en veel dubbelsporen verwijzen naar een virtuoze cellist. Bovenal wordt op veel plaatsen aan de solist gevraagd om het concerts heel vocaal, in een zingende stijl, voor te dragen. De cellist dient te beschikken over een combinatie van grote technische mogelijkheden, toonbeheersing en expressieve draagkracht.
Haydn had het heel druk in die periode met de compositie van opera's (Orlando Paladijn en Armida en misschien verklaart dat ook waarom het concerts zo gezegend is met een reeks meeslepende melodieën. De cello als instrumentale prima donna . . .

Jan De Winne


De cellist/gambist Sergei Istomin behaalde zijn diploma aan het Conservatorium van Moskou waar hij studeerde bij Valentin Feighin. Istomin vervolmaakte zijn studies met een postgraduaat in Amerika bij Catharina Meints. Daar studeerde hij viola da gamba en barokcello aan het Oberlin Conservatory in Ohio. Zijn repertoire gaat van barok over klassiek tot hedendaags. Vandaag is Sergei Istomin eerste cellist bij Anima Eterna en speelt hij tevens regelmatig bij Tafelmusik Orchestra in Canada, bij La Grande Ecurie en La Chambre du Roi in Frankrijk. Daarnaast gaf hij concerten met Augus Wentzinger, Gustav Leonardt, Barthold Kuijken, Jos van Immerseel, Andrew Parrot, Trevor Pinnock, Jean-Claude Malgoire, Mark Minkowski, Monika Huggett, Bruno Weill en Crhistophe Rousset. Hij speelde op festivals in Aix-en-Provence, Beaune, Brugge, Nantes, Lockenhaus, Schleswig-Holstein, San Francisco en Lameque. Hij maakte talrijke opnames voor onder andere Analekta in Canada, Zig-Zag Territoires, Sony Classical en Passacaille. Tegenwoordig woont Sergei Istomin als Russisch-Frans-Canadese wereldburger in België van waaruit hij zijn internationale carrière verder zet.
www.sergei-istomin.com


Recensie in de "Leeuwarder Courant"

Joseph Haydn – Celloconcerten – Sergei Istomin, Apollo Ensemble, David Rabinovich
Passacaille

Het is nog net geen pepermuntje in een glas cola, maar bruisen doen beide celloconcerten van Haydn zeker. De eerste is eind vorige eeuw opgedoken, de tweede, die hij schreef in een periode waarin hij ook aan twee opera’s werkte, wordt al langer gespeeld, al is het auteurschap omstreden geweest. Nu dan heeft het Apollo Ensemble ze samengebracht op een schijf met in de hoofdrol Sergei Istomin, eerste cellist bij Anima Eterna. Hij boort een hartstochtelijke vrolijkheid aan, die zo uit de speakers de kamer in stroomt. Het Apollo Ensemble wuift even opgewekt mee, als klaprozen in een schilderij van Monet, al is de penseel, gevoerd door dirigent David Rabinovich, veel meer afgestemd op precisiewerk. Klasse is het met passie, op lengte gebracht met Haydns zestiende symfonie. Hoewel het Apollo Ensemble uitdagingen zoekt in steeds weer andere richtingen - nu was Haydn dus aan de beurt – blijft de kwaliteit onveranderlijk bovenstebest.

Rudolf Nammensma