Annelies Schraa - Blokfluit
Freek Borstlap - Gamba
Thomas Oltheten - Fagot
Marion Boshuizen - Clavecimbel
Anne-Marije de Haas - Blokfluit
Ivanka Neeleman - Gamba

Deze cd is uitverkocht.
Het is mogelijk de muziek van de cd te downloaden in mp3-formaat à € 7,00

Klik op de knop hierboven om te betalen voor het downloaden.
Na betaling klikt u op de knop "Download CD". Kies dan voor 'Opslaan', waarna u het zip-bestand kunt uitpakken.

Door op het luidsprekertje te klikken kunt u een deel van elk nummer beluisteren

Quartett in d, uit Tafelmusik II
Fagot, 2 Voiceflutes, bc: Gamba en Clavecimbel

  1. Andante (3'11)

  2. Vivace (4'16)

  3. Largo (3'35)

  4. Allegro (4'08)

Gambasonate in a, uit "Essercizii Musici"
Gamba, bc: Gamba en Clavecimbel

  1.   Largo (2'27)

  2.   Allegro (1'52)

  3.   Soave (2'25)

  4.   Allegro (3'00)

Triosonate in d
Altblokfluit, Discant-Gamba, bc: Fagot en Clavecimbel

  1. Andante (2'14)

  2. Vivace (1'28)

  3. Adagio (1'31)

  4. Allegro (1'40)

Trio in Bes
Sopraanblokfluit, Fagot, bc: Gamba en Clavecimbel

  1. Vivace (2'19)

  1. Siciliana (2'41)

  1. Vivace (1'45)

Trio in F, uit "Essercizii Musici"
Altblokfluit, Gamba, bc: Gamba en Clavecimbel

  1. Vivace (2'54)

  2. Mesto (1'37)

  3. Allegro (2'44)

Fagotsonate in f,
uit "der Getreue Music-Meister"
Fagot, bc: Gamba en Clavecimbel

  1. Triste (2'32)

  2. Allegro (4'34)

  3. Andante (1'52)

  4. Vivace (2'10)

Triosonate in C,
uit "der Getreue Music-Meister"
2 Altblokfluiten, bc: Gamba, Fagot en Clavecimbel

  1. Grave-Vivace (2'23)

  2. Andante-Vivace (2'19)

  3. Xantippe (1'42)

  4. Lucretia (2'38)

  5. Corinna (0'57)

  6. Clelia (1'30)

  7. Dido (triste/disperato) (2'14)

Het Apollo Ensemble
Met als basis de triobezetting blokfluit, fagot en clavecimbel beklom het Apollo Ensemble sinds 1992 al vele malen de Nederlandse podia. Afhankelijk van het thema werd het ensemble uitgebreid met vocalisten en regie. Zo ontstond het programma "1628 - zo wijd de wereld strekt", waarvan deze CD een afspiegeling is.

Max van Egmond
De bariton Max van Egmond, die internationaal bekendheid geniet als "oude muziek specialist" geeft veelvuldig concerten en masterclasses in Europa en de VS en is op talrijke opnames te beluisteren. Als docent is hij verbonden aan het Sweelinck Conservatorium te Amsterdam en het Oberlin Baroque Performance Institute te Ohio.

Toelichting
De Nederlandse schilders uit de zeventiende eeuw - onze "Gouden Eeuw"- genieten algemene bekendheid, terwijl er doorgaans ook voor de dichters uit deze zelfde eeuw veel belangstelling bestaat. Dat de Nederlandse Republiek in die periode ook een rijk geschakeerd muziekleven bezat, is minder gemeengoed, wellicht vanwege het ontbreken van internationaal bekende grootheden op dit gebied, althans na de dood van Jan Pieterszoon Sweelinck. Toch valt er veel interessants te beleven.
Het muziekleven van de Republiek kan worden gekarakteriseerd door verschillende trends, die alle samenhangen met de specifieke sociale, culturele en politieke situatie van de Republiek.
In de eerste plaats is daar de afwezigheid van een geprononceerde muzikale hofcultuur. 


Even afwezig waren de katholieke en de lutherse kerken als muzikale factoren van belang. Voorop in het muziekleven van de Republiek staat daarom de muziekbeoefening in de (betere) burgerlijke milieus.
Dat betekent muziek voor kleine bezettingen, zang met enkele instrumenten, of een of enkele instrumenten zonder zang.
Een tweede constante factor is de invloed van het buitenland, van heel nabij - de Zuidelijke Nederlanden, Duitsland, Engeland - en van verder - Frankrijk, Italië. Muziek uit deze landen werd alhier als gewone handelswaar ingevoerd, herdrukt, nagebootst, gebruik, bewerkt. Buitenlandse musici kwamen hierheen voor werk, musici van hier gingen naar het buitenland.

Laten wij het leven en werken van deze lieden even in beknopte vorm van nabij bekijken. Door het wegvallen van het hof en van de katholieke en lutherse kerk als muzikale werkgevers vinden we in de Republiek geen musici of componisten met een werkkring zoals Bach, Händel, Corelli, Purcell en Lully vervuld hebben. De belangrijkste musici en componisten in de Republiek waren organist aan een Calvinistische kerk of gewoon speelman. Lieden van het eerste soort hadden een basisbetrekking bij een kerk en deden nog van alles daarnaast: lesgeven aan amateurs, leiding geven aan collegia musica, adviezen geven over orgels en klokkenspelen, muziek uitgeven, enz. Deze additionele taken werden ook allemaal door speellieden vervuld, die daaraan nog het spelen op "bruiloften en partijen" toevoegden, wat de kerkorganisten dikwijls verboden was. Van Blankenburg is zo'n typerende organist, Padbrué, Hacquart en De Konink zijn typische voorbeelden van speellieden.

Quirinus van Blankenburg (Gouda 1654 - 1739 Den Haag) leerde het organistenvak van zijn vader Gerbrant. Quirinus was een van de bekendste organisten van zijn tijd, werkzaam vooral in Den Haag. Behalve organist was hij een gezocht muziekleraar in de hogere Haagse kringen. Zijn weinig voorzichtige levenswijze bracht hem echter herhaaldelijk in grote financiële problemen. Hij was regelmatig betrokken bij de keuring van orgels en klokkenspelen, maar meer dan eens riepen zijn oordelen controverses op. Kortom, een kleurrijk figuur. Blankenburg zal wel vrij veel hebben gecomponeerd, maar veel ervan is verloren gegaan. Een van de bekendste van zijn bewaard gebleven werken is de cantate L'apologie des femmes, vermoedelijk rond 1715 gecomponeerd. De cantate is een tegenstuk tegen André Campra's cantate Les femmes. Terwijl Campra's cantate de vrouw afschildert in negatieve termen, neemt Blankenburgs werk de verdediging van het zwakke geslacht op zich.

Cornelis Thymanszoon Padbrué (Haarlem 1590 -1670) stamde uit een Haarlemse muzikantenfamilie. Cornelis volgde het voorbeeld van zijn vader en werd als stadsschalmeispeler te Haarlem aangesteld. Hoewel hij in 1629 eerste schalmeispeler wordt, verlies hij in 1635 deze positie vanwege wangedrag. Vanaf deze tijd blijft Padbrué als gewoon musicus in Haarlem gevestigd tot hij in 1670 op gevorderde leeftijd overlijdt. Vanaf 1643 noemt hij zich "Jubalist van Haarlem", indachtig zijn composities onder de titel 't Lof van Jubal. Padbrué stijgt uit boven de gemiddelde speelman/stadsmuzikant van zijn tijd vanwege zijn composities. Voorzover wij die kennen zijn het meerstemmige vocale stukken in een polyfone, madrigaleske stijl, voor vier of vijf stemmen met basso continuo, waarbij opvalt dat hij zich wat betreft de tekstkeuze tot de beste Nederlandse dichters van zijn tijd richtte: Joost van den Vondel, Caspar Barlaeus, Jacob Westerbaen en anderen. Het meest bekend zijn de Kusjes, met als tekst de Nederlandse vertalingen door Westerbaen van de Basia van de 16de-eeuwse Nederlandse neo-latijnse dichter Janus Secundus.

Carolus Hacquart was afkomstig uit Brugge, waar hij in of rond 1640 moet zijn geboren. Zijn bezigheden vóór zijn vestiging in Amsterdam, zo rond 1670, zijn totaal onbekend. Waarschijnlijk is dat hij een opleiding als koorknaap heeft genoten. In 1679 vestigde hij zich in Den Haag, waar hij een bestaan als "muziekmeester" opbouwt. Gedurende de jaren *hier klopt iets net* 1680 is nog een aantal muziekwerken van zijn hand verschenen, maar dan wordt zijn spoor moeilijk te volgen. De ensemblemuziek van zijn hand uit deze tijd weerspiegelt zeker zijn werkzaamheden voor collegia musica. Vermoedelijk is hij rond 1700 overleden, maar waar, wanneer en hoe is niet bekend.

Servaas de Konink (Dendermonde 1654 - 1701 Amsterdam) was eerst enige tijd koraal (koorknaap) te Gent en student te Leuven. Na te Brussel te hebben gewoond vestigde hij zich rond 1685 voorgoed te Amsterdam. Daar moet hij het gebruikelijke muzikantenleven hebben geleefd, maar veel meer dan dat hij tenminste enige malen zangrollen op de schouwburgplanken vervulde en vermoedelijk ook in het schouwburgorkest speelde weten wij niet. Bij de uitgever Estienne Roger liet hij in de jaren 1696 - 1699 een opmerkelijke serie van zeven vocale en instrumentale opusnummers het licht zien. Met zijn drinkliederen bediende De Konink de burgerlijke markt, zijn motetten laten zien dat hij zijn katholieke achtergrond niet verloochende.

Hacquart en De Konink zijn voorbeelden van musici die uit de Zuidelijke Nederlanden noordwaarts trekken om geschikt emplooi te vinden. De Brusselaar Philippus van Wichel (1610 - 1675) bleef werkzaam in zijn geboortestad, waar we hem vinden als violist in verschillende kerken: de aldaar gepleegde vroeg namelijk geregeld om instrumentale begeleiding. Maar ook puur instrumentale muziek klonk op bepaalde momenten in de katholieke eredienst. Van Wichels bundel Fasciculus culcedinis ('n verzameling van fraaiigheid), waarvan de postume publicatie in 1678 door een broer van hem werd verzorgd, is een voorbeeld van zulke muziek.

Willem de Fesch is weliswaar in de Republiek geboren (Alkmaar 1687), maar zijn ouders waren uit Luik of het Luikse afkomstig en keerden kort na zijn geboorte daarnaar terug. Zoon Willem vestigde zich toch weer in de Republiek, en wel in Amsterdam, waar zijn leven gevuld moet zijn geweest met alles wat des muzikanten was: spelen bij de Schouwburg, bij particuliere gelegenheden en vermoedelijk ook in de (katholieke) kerk, componeren, lesgeven, enz. In ieder geval was hij tijdens de laatste jaren van zijn Amsterdamse periode een bekend violist. Na 1725 nam zijn carrière enkele wendingen van 180 graden: van 1725 tot 1731 was hij zangmeester van de kathedraal van Antwerpen, daarna verliet hij de Nederlanden om zich in Engeland (Londen) te vestigen en zich aldaar als een van de bekendste musici/componisten te ontpoppen tot zijn dood, vermoedelijk in 1761. Alle bekende werken uit de Nederlandse perioden zijn instrumentaal; uit zijn Antwerpse periode stamt wat kerkmuziek, terwijl gedurende zijn engelse periode de compositie van instrumentale werken wordt voortgezet, maar wordt aangevuld met vocale werken, met name liederen en oratoria.

Er is muziek die het werk van één componist is, er is ook muziek waar de handen van meerdere individuen in doorklinken. We spreken dan van bewerkingen. Het bewerken van bestaande muzikale gegevens is zo oud als de muziek zelf, en ook in de zeventiende eeuw was het schering en inslag om bijvoorbeeld populaire lied- en danswijsjes voor een of andere ensemblevorm te bewerken. Met slechts weinig overdrijving kan men beweren dat in de zeventiende eeuw bewerkingen talrijker waren dan originele composities. Sommige melodieën waren populair in grote delen van Europa en zijn door talrijke componisten in vele landen bewerkt, soms zo vaak dat men de oorsprong van de melodie geheel uit het oog verloor. Drie van zulke 17de-eeuwse toppers zijn het Italiaanse lied Amarilli mia bella (van Giulio Caccini, gepubliceerd in 1601), het Franse lied Est-ce Mars le grand Dieu (van Pierre Guédron, gepubliceerd in 1614) en de melodie bekend als het Engels nachtegaaltje (maker onbekend, uit de jaren 1630). De bewerkingen van deze liederen vormen een goed tegenhanger tegenover de oorspronkelijke composities, om zodoende recht te doen aan het veelzijdige muzikale leven van de Nederlandse Republiek in haar Gouden Eeuw.

Rudolf Rasch