Annelies Schraa - blokfluit
David Rabinovich - viool
Onno Verschoor - hobo
Thomas Oltheten - fagot
Marion Boshuizen - clavecimbel
Michiel Niessen - luit
Emily Robinson - cello

 

 

 

foto's overhandiging eerste cd

Concerto in g RV 107
sopraan, viool, hobo, fagot, cello, theorbe, clavecimbel
1.  Allegro
2.  Largo
3.  Presto

Sonate in a RV 86
altblokfluit, fagot, cello, clavecimbel
4.  Largo
5.  Allegro
6.  Largo Cantabile
7.  Allegro Molto

Sonate in C RV 779
clavecimbel, viool, hobo, fagot, theorbe
   8.  Andante
  9.  Allegro
10.  Largo e Cantabile
11.  Allegro

Concerto in D Del Gardellino RV 90
sopranino, viool, hobo, fagot, cello, theorbe, clavecimbel
12.  (.........)
13.  Largo
14.  Allegro

Sonate in e RV 50
voiceflute, cello, theorbe, clavecimbel
15.  Andante
16.  Siciliano
17.  Allegro
18.  Arioso

Concerto in a RV 108
altblokfluit, viool, hobo, cello, theorbe, clavecimbel
19.  Allegro
20.  Largo
21.  Allegro

Antonio Vivaldi (1678 - 1741) Il Prete Rosso

Venetië 17e eeuw,
"Het was avond... De gracht waarop de noblesse zoals gewoonlijk een luchtje aan het scheppen was, zag zwart van dames en heren. Ze zongen, speelden op klavecimbels en andere instrumenten, brachten serenaden aan hun geliefden."
(vrij naar: John Evelyn, die in de stad vertoefde).

Venetië, de stad in Europa met een schitterend muziekleven. In deze stad wordt op 4 maart 1678 Antonio Vivaldi geboren. Er zijn weinig feiten over zijn levensloop bekend, evenzo over zijn muzikale leermeesters.
Maar wat de viool betreft, hoeft er niet ver gezocht te worden. Antonio was de zoon van Gianbattista Vivaldi. een violist met een zeer goede reputatie. Het was echter geen uitgemaakte zaak dat Antonio van de muziek zijn beroep zou maken. Op zijn geboortedag werd Venetië getroffen door een aardschok. Er bestaat een theorie dat Vivaldi's moeder uit angst de gelofte heeft gedaan dat haar zoon priester zou worden, als alles goed zou aflopen. Vivaldi volgde de priesteropleiding en werd in 1703 tot priester gewijd. Dat Vivaldi niet zo geschikt was voor het vervullen van dit ambt zal blijken...
Enkele maanden na zijn priesterwijding werd hij benoemd als vioolleraar aan het Ospedale della Pietà.

De Ospedali waren typisch Venetiaanse instellingen, weeshuizen waar muziekonderwijs werd gecombineerd met liefdadigheid. Hier verwierf hij de bijnaam "II prete rosso" wat zowel "de Rode Priester" (hij had opvallend rood haar) als de vurige aanbidder kan betekenen. Naar eigen zeggen wilde Vivaldi reeds een jaar na zijn priesterwijding geen missen meer opdragen wegens lichamelijke klachten (benauwdheid op de borst). Toch haalde hij ergens de energie vandaan om in een schijnbaar onmogelijk tempo te componeren.
Hij componeerde veel kamermuziekwerken, vocale werken, oratoria en opera's. De muziek van Vivaldi (en andere Italiaanse componisten) raakte wijd en zijd bekend, mede door de uitgeverij  Estienne Roger in Amsterdam, maar ook het verspreiden van handgeschreven kopieën was in zwang.
Johann Sebastian Bach, werkzaam in Weimar, maakte kennis met de muziek van Vivaldi. Forkel, Bachs eerste biograaf, schrijft over Bachs kennismaking met de Italiaanse muziek: "Al gauw kreeg Bach het gevoel dat het maar eens afgelopen moest zijn met ronddartelen, en dat hij orde, samenhang en harmonie in zijn gedachten moest brengen. Om dat te realiseren had hij een handreiking van node, en daartoe dienden hem toentertijd de kort tevoren verschenen Concerten van Vivaldi. Hij hoorde ze zo veelvuldig geprezen worden als voortreffelijke muziekstukken, dat hij daardoor op het uitstekende idee kwam ze te bewerken."

Veel composities van Vivaldi blinken uit door de beweeglijke en virtuoze schrijfwijze voor de diverse solo-instrumenten. In het trio in a moll RV 86, komt de acrobatiek van de blokfluit en de fagot goed tot uitdrukking. De twee solopartijen worden bescheiden ondersteund door clavecimbel en cello. In het derde deel (Largo Cantabile) verandert de functie van de fagot van solo-instrument in een begeleidings-
instrument, zonder daarbij het soepele speelse karakter te verliezen.

De volle bezetting, met een uitgebreide continuogroep van clavecimbel, theorbe en cello, zoals gebruikt in Concerto g moll RV 107, geeft daarentegen de mogelijkheid door afwisselende begeleiding van de solo instrumenten, een verscheidenheid aan klankkleuren te creëren. Het laatste deel van dit werk is een presto met het karakter van een Chaconne. Door de theorbe dit deel te laten beginnen, ontstaat een fraaie opbouw van een heel klein begin naar een ontwikkeling van een vol en virtuoos Vivaldi schreef ook concerten die een bepaald niet-muzikaal gegeven tot onderwerp hebben, waarin de muziek programmatisch van karakter is, ze imiteert bepaalde klanken bijvoorbeeld het gezang van vogels. Dit is duidelijk te horen in het "Il Gardellino" (de distelvink), waar de sopranino als distelvink optreedt.
Vivaldi was geruime tijd niet verbonden aan het Ospedale della Pietà, Hij kreeg verlof om te reizen en in andere steden in Italië en in het buitenland concerten te geven. In de jaren 20 van de 18e eeuw begon Vivaldi steeds meer interesse te krijgen in de traverso. Ongetwijfeld hangt dit samen met zijn kennismaking met Johann Joachim Quantz. De traverso krijgt een grote rol als solistisch instrument toebedeeld, dit was in die tijd een zeldzaamheid, zeker in Italië, waar de blokfluit nog lang in de mode bleef. Overigens kreeg de traverso onmiddellijk een tegenhanger in de voiceflute, een blokfluit met dezelfde omvang zodat de traverso muziek ook op blokfluit gespeeld kon worden.
In Rome maakt Johann Joachim Quantz kennis met de muziek van Vivaldi, hij was zeer onder de indruk wat blijkt uit de volgende notitie: "Het laatste nieuwtje op muziekgebied - iedereen heeft het erover - is de zogenaamde Lombardische stijl. 

Vivaldi had die zojuist, gelijk met zijn opera's naar Rome gebracht en wist met die stijl de Romeinen zodanig te boeien dat het er bijna op leek dat ze muziek die niet in die stijl gecomponeerd was, niet langer konden verdragen". Deze nieuwe stijl van componeren is herkenbaar in de fluitsonate e klein RV 50, die met een ongebruikelijk aantal langzame delen bijna aan de fluitsonates van C.P.E. Bach doet denken. In 1735 trad Vivaldi weer in dienst bij de Pietà te Venetië. Hij kreeg als taak concerten te leveren voor de meisjes, alsmede composities voor allerlei instrumenten. Dat Vivaldi specifiek voor de meisjes schreef, blijkt uit de Sonate C dur RV 779 voor orgel, viool, hobo en fagot. De vioolpartij is toegeschreven aan Signora Prudenza, de hobo aan Signora Pelegrina, fagot aan Signora Candida en Signora Lucietta bespeelde het orgel. Het ligt voor de hand dat Vivaldi voor orgel heeft gekozen als solo-instrument, omdat het weeshuis een kerkelijke instelling was. Maar dit werk is een typisch kamermuziekwerk, dat zeker ook op klavecimbel goed tot zijn recht komt.
In 1740 verlaat Vivaldi Venetië. Over de motieven voor zijn vertrek wordt veel gespeculeerd: Is hij gevlucht voor schuldeisers? Hing hem een proces boven het hoofd? Is hij het slachtoffer geweest van roddelcampagne? Had hij de illusie om in het buitenland een nieuwe loopbaan als vioolvirtuoos of componist op te bouwen? Hij bracht (op doorreis naar Dresden?) Wenen een bezoek, werd ziek en stierf in Wenen op 28 juli 1741. Gedurende zijn teven maakte Vivaldi internationaal furore, na zijn dood werd zijn werk bijna 2 eeuwen prijs gegeven aan de vergetelheid. Maar herontdekt in 1930 krijgt Antonio Vivaldi toch de waardering die hij verdient.

Annelies Schraa

  

  Overhandiging van de eerste cd van Vivaldi "Il prete rosso" van het Apollo
  Ensemble door Thomas Oltheten aan Hans van den Boom tijdens het concert
  dat ter gelegenheid daarvan werd gegeven op 15 november 2002 in de
  concertzaal van Kasteel "De Hooge Vuursche" te Baarn.