|

APOLLO ENSEMBLE
David Rabinovich - viool solo/algehele leiding
Igor Roukhadze - viool
Franc Polman - viool
Tamara Mkrtychyan - altviool
Jacques van der Meer - violone
Marion Boshuizen - clavecimbel
Kate Clark - traverso
Annelies Schraa - blokfluit
Ofer Frenkel - hobo
Onno Verschoor - hobo
Thomas Oltheten - fagot
Deze cd is uitverkocht!
uitreiking
eerste cd |
|
Antonio Vivaldi (1678-1741) en Johann Sebastian
Bach (1685-1750) |
|
A. Vivaldi –
Fagotconcert in Bes RV 503
1. allegro non molto
2. largo
3.
allegro
J.S. Bach – Tripelconcert in a BWV 1044
4. allegro
5.
adagio, ma non tanto, e dolce
6. alla breve |
A. Vivaldi - Blokfluitconcert in C RV 441
7. allegro non molto
8. largo 9.
allegro non molto
J.S. Bach – Suite in C BWV 1066
10. ouverture
11. courante
12.
gavotte I & II
13. forlane
14. menuet I & II
15.
bourée I & II
16. passepied I & II |
|
Vivaldi contra Bach
Op deze cd is gekozen voor de twee bekendste componisten uit de barok: Johann
Sebastian Bach en Antonio Vivaldi. Beiden hebben een eigen ‘fanclub’, Vivaldi
wordt bewonderd om zijn levendige, aansprekende muziek en prachtige
melodielijnen in de langzame delen. De echte Bach-fans gaan voor de ingewikkelde
structuur, het polyfone vlechtwerk en beschouwen Vivaldi’s muziek als
oppervlakkig vermaak. Anderen vinden Bach zwaar en moeilijk toegankelijk.
Strawinsky zei dat Vivaldi niet honderden concerten had geschreven, maar slechts
honderden variaties op hetzelfde concert.
Indertijd golden de beide heren niet als rivalen. Integendeel, Bach was wel
enthousiast over Vivaldi’s muziek en bewerkte een heel aantal vioolconcerten
voor clavecimbel en orgel.
Ook nam hij veel over van de Italiaanse stijl. |
Wat Vivaldi over Bach’s muziek
dacht, is niet bekend.
Aan Antonio Vivaldi kan het ontstaan van het solo concerto toegeschreven worden.
De vorm, bestaande uit drie delen, snel - langzaam - snel, werd al gauw de norm
voor deze concerti. Ze kenmerken zich verder door een afwisseling van solo- en
tutti gedeeltes (de ‘ritornello-vorm’), die het zelfde melodische materiaal
gebruiken, en zodoende aan ieder deel een zekere evenwichtigheid verlenen.
De solo concerti groeiden snel uit tot een zeer populaire vorm, waaraan vrijwel
alle barokke componisten zich waagden. Hiermee nam ook de virtuositeit en
vereiste technische vaardigheid hand over hand toe. De concerti voor blokfluit
en fagot uit de 18e eeuw zijn hierop geen uitzondering: ze zijn technisch soms
zeer lastig en muzikaal behoorlijk prikkelend. |
|
Concert RV 503
De fagotconcerten van Antonio Vivaldi zijn een bewijs van het aanzien
en de hoge technische ontwikkeling van de fagot ten tijde van Vivaldi. Of deze
concerten voor de barokfagot of voor de dulciaan zijn gecomponeerd, is niet met
zekerheid te zeggen. De dulciaan is nog lange tijd, en dan vooral in de kerk, in
gebruik gebleven. Maar ook de barokfagot was in Italië met zijn uitgebreide
handelscontacten zeker niet onbekend. Van een aantal fagottisten is bekend dat
ze beide instrumenten bespeelden.
De fagotconcerten van Vivaldi passen wel in de lange traditie van de
ontwikkeling en het gebruik van dulciaan en fagot. Al vroeg werd de dulciaan in
de kerk ingezet om de koren “op toon” te houden en om variaties te maken op de
cantus firmus. Deze musicus stond in hoog aanzien: hij was na de organist-cantor
de best verdienende |
kerkmusicus. Componisten, vaak de cantor, componeerden dan
ook virtuoze stukken voor de dulciaan. Eerst in combinatie met andere
blaasinstrumenten zoals zinken, blokfluiten en trombones, later met
strijkinstrumenten. Op deze traditie sluiten de fagotconcerten van Vivaldi
naadloos aan.
Het fagotconcert in Bes laat op het eerste gezicht een Vivaldi zien met een
originele inval en een snelle hand van componeren. De opbouw is echter heel
evenwichtig en speelt zich af rond de spanning van een dalende sext; in de
eerste maat door de strijkers gepresenteerd, later in de fagotsolo uitvergroot.
In het laatste deel worden de sexten omgekeerd als terts waardoor een veel
rustiger, grootse sfeer ontstaat, passend bij de toonsoort Bes.
|
|
Het tripelconcert in a, BWV 1044
van Bach is ook geschreven in de Italiaanse stijl. Toch valt hier niet als
eerste de luchtige ritornellovorm op, maar juist de rijkheid aan harmonische
wendingen en het polyfone bouwwerk. Je zou niet snel vermoeden dat het hier om
een bewerking gaat. De basis van het werk is een prelude en fuga in a, BWV 894
voor clavecimbelsolo. Opvallend daaraan is de lengte, die ten opzichte van Bachs
andere preludes en fuga’s voor clavecimbel echt monsterlijk is, en de steeds
doorgaande triolenbeweging, zowel in prelude als fuga, die beide met elkaar
verbindt en een eenheid smeedt.
In het tripelconcert vormen prelude en fuga de hoekdelen van het concert.
Toegevoegd worden een solofluit, een soloviool en de “tutti”strijkers. Het
eerste deel wordt vrij bewerkt, nieuw melodisch materiaal wordt toegevoegd,
viool en fluit nemen passages uit het clavecimbel origineel over. Het derde
deel, de fuga, wordt echter veel minder bewerkt, maar er wordt een laag aan
toegevoegd. Het deel opent met een tutti introductie met lange melodielijnen die
een typisch allabreve karakter aangeven. |
Dan zet het clavecimbel de fuga met de
snelle triolenbeweging in. Die twee lagen blijven: clavecimbel in snelle
beweging, de andere instrumenten de rustiger beweging, nergens nemen fluit of
viool passages over. Het langzame middendeel van het concert is het middendeel uit de 3e orgelsonate
in d (BWV 527) in een bewerking voor viool, fluit en clavecimbel.
Hoe en wanneer dit tripelconcert precies is ontstaan,
weten we niet; ook de maker is niet bekend. Het origineel voor clavecimbelsolo
is rond 1717 geschreven, maar van het tripelconcert hebben we alleen
afschriften, gedateerd na Bachs dood. In de strijkerspartijen staat veelvuldig
pizzicato voorgeschreven, wat niet erg gebruikelijk is voor Bach en daarom wordt
er getwijfeld of de bewerking wel van Bach zelf is, of van een leerling of van
een van zijn zonen.
Gebruikelijk of niet, het pizzicato werkt wel in dit stuk. Wie de omwerking tot
tripelconcert uiteindelijk ook gemaakt heeft, het is een prachtig stuk en we
kunnen alleen maar blij zijn dat het er is.
|
|
Het Concerto c
moll, RV 441
blinkt uit door de zeer beweeglijke en virtuoze
schrijfwijze voor de blokfluit. Voor Vivaldi, die uitging van zijn eigen
instrument, de viool, was het schrijven van acrobatische muziek relatief
eenvoudig, maar op de blokfluit is het spelen van vooral de gebroken drieklanken
over een grote afstand helemaal niet zo voor de hand liggend. Zo is op de
blokfluit de “makkelijk” klinkende virtuositeit, zoals we die kennen van onder
andere de viool, alleen met veel moeite, toewijding en energie te bereiken.
Tegenover en naast de andere instrumenten kan een blokfluit zich ook wat volume
betreft moeilijk staande houden: “… slechts degene die zwijgt en kan luisteren,
kan haar schoonheid ervaren ..." |
Door de beperkte dynamische mogelijkheden van de blokfluit is het toonmateriaal
nòg belangrijker dan voor andere instrumenten: verbanden, richting,
tegenstelling, balans enz. moeten al in het toonmateriaal aanwezig zijn, en
kunnen slechts met bewust toegepaste
instrumentale en muzikale middelen (lengte-accenten, vibrato, articulaties,
frasering, ademvoering, bewegings- richting, intonatie, versieringen, motoriek) èn
met zorgvuldig gekozen muzikale gebaren en suggestie verduidelijkt worden.
Vivaldi voldoet in RV 441 ruimschoots aan alle technische eisen die aan de
componist van een belangrijk repertoirestuk voor blokfluit gesteld worden, ja,
hij ontstijgt er zelfs gemakkelijk aan. |
|
De Ouverture (orkestsuite) in C, BWV 1066
is een van de vier
ouvertures van Bach die ons zijn overgeleverd. Het werk is geschreven in Franse
stijl, opent met een Franse Ouverture (langzame inleiding gevolgd door een snel,
fugatisch deel) waarna een serie kortere dansen volgt. Het is onbekend wanneer
en waarvoor Bach deze suite geschreven heeft: er is geen orgineel handschrift
bewaard gebleven. De wel behouden partijen stammen uit zijn Leipziger periode en
zijn wellicht uitgeschreven voor een uitvoering in Kaffee Zimmermann.
Stilistisch gezien zou hij het werk goed tijdens zijn aanstelling in Cöthen |
gecomponeerd kunnen hebben.
Hier werd hij namelijk in tegenstelling tot zijn
latere aanstelling in Leipzig voor dergelijke wereldlijke werken betaald. In
Cöthen had hij een kleiner ensemble tot zijn beschikking, vergelijkbaar met de
bezetting op deze cd. De bezetting met 2 hobo’s, fagot, strijkers en basso
continuo geeft een heel scala aan klankmogelijkheden.
Door toonsoort en opzet
straalt het stuk grootsheid en feestelijkheid uit; in de dansen laat Bach zien
dat hij in staat is in korte tijd zeer verschillende karakters neer te zetten.
|
|
De
eerste cd werd op 26 januari 2006 overhandigd aan burgemeester Margreet
Horselenberg tijdens het concert in het Nieuw Land Erfgoedcentrum te Lelystad
door Jan Venema, voorzitter van de Stichting Apollo.
Aan Marion Boshuizen en Thomas Oltheten werd een insigne uitgereikt in de
vorm van een zilveren Apollo-logo als waardering voor hun stuwende kracht achter
het Apollo Ensemble.

|